Onze laatste strohalm?

geplaatst in: Artikeltje | 0

Wat kunnen we doen als iemand van ons team ziek wordt, medi­sche hulp nodig heeft en het gezondheidszorgsysteem is over­belast? Dat was een vraag die we onszelf stelden als crisisma­nagementteam van SIM Bolivia. Het antwoord was bijzonder nuchter: het enige wat we dan kunnen doen is bidden.

De koning op zijn knieën

Het deed me denken aan het verhaal van koning Asa (2 Kron. 14). Hij deed wat goed was in de ogen van God en daarom genoot Juda een tijd van vrede. Asa gebruikte deze tijd om de steden te versterken. Maar toen viel Zerach het land binnen met een grote overmacht. De koning ging op zijn knieën en bad tot God. “Help ons HEER, onze God, want in u hebben we ons vertrouwen gesteld en in uw naam zijn we tegen deze overmacht in het geweer gekomen” (2 Kron. 14:10).

Dat verhaal is precies wat ook bezongen wordt in Psalm 20:8. Ande­re volken vertrouwen op hun militaire middelen om te overwinnen in de strijd, maar de koning van Israël moest zijn vertrouwen op God stellen.

Tegen deze overmacht

Toen ik zelf COVID-19 kreeg, dacht ik terug aan dit gesprek. Medi­sche hulp zou zo goed als onmogelijk zijn. Gek genoeg gaf dat me rust. Ik kon alleen op God vertrouwen en dat is meer dan genoeg. Niet dat een goed gezondheidszorgsysteem niet waardevol is, maar zelfs in Nederland vertoonde dat barsten.

Deze realiteit deed me stilstaan bij de vraag: is ons vertrouwen op God en het terugvallen op gebed onze laatste strohalm of is het de basis van ons bestaan? Vertrouwen wij eerst op de gezondheids­zorg? Of vertrouwen we eerst op God? Soms is er een crisissituatie voor nodig om dit voor onszelf scherp te krijgen.

Misschien kunnen wij Psalm 20 vertalen naar: anderen vertrouwen op gezondheidszorg en medicijnen, wij op de naam van de HEER, onze God. Asa bad, trof voorzorgsmaatregelen en vocht met man en macht tegen de overmacht. Dat staat ook ons te doen. Met hem kunnen we bidden: “Help ons HEER, onze God, want in u hebben we ons vertrouwen gesteld en in uw naam zijn we tegen deze over­macht in het geweer gekomen.”